Het meetinstrument van Kapteyn.
Jacobus Kapteyn begon eind negentiende eeuw met het doormeten van alle platen van de Kaapsterrenwacht. Daarvoor moest hij echter wel een eigen instrument
ontwikkelen en bouwen.
Dat bestond uit een soort kijkertje, bevestigd aan twee meetringen,
die horizontaal en vertikaal konden draaien.
De platen werden in een houder gezet en op een heel specifieke afstand van de
meetkijker geplaatst: namelijk op een afstand die de brandpuntsafstand
nabootste van de telescoop waarmee de platen waren opgenomen op de
Kaapsterrenwacht.
Op deze manier kwamen hoekafstanden gemeten met het instrument direct overéén
met hoekafstanden aan de hemel.
Daardoor hoefden geen ingewikkelde omrekeningprocedures te worden
toegepast, wat tijd spaarde én de kans op fouten verminderde.
Kapteyn en medewerkers gingen zeer nauwkeurig te werk: alle metingen en berekeningen werden minstens twee keer uitgevoerd door verschillende medewerkers, en de resultaten met elkaar vergeleken. Het instrument samen met de platen is bewaard gebleven. De plaathouder staat in het Universiteitsmuseum van de Universiteit van Groningen. [website]